|
Het orgel van de Immanuelkerk |
|
De Immanuelkerk heeft een bijzonder orgel, dat in 1963 is gebouwd door orgelbouwer Leeflang uit Apeldoorn. Het is een goed voorbeeld van de neobarokke orgelbouw, die na de tweede wereldoorlog opkwam. De orgels uit die periode kenmerkten zich door een veel helderder en boventoonrijke klank dan de vaak donker klinkende orgels uit het eind van de negentiende en begin twintigste eeuw. Bij de mechaniek – de verbinding tussen de toets en het ventiel dat de lucht toelaat tot de pijpen – werd teruggegrepen op de oude ambachtelijke, mechanische werkwijze. De tot die tijd zeer gebruikelijk geworden elektrische of pneumatische bediening werden weer verlaten, omdat daarbij altijd een zekere vertraging in het aanspreken van de pijpen optrad.
De eerste orgels die in Nederland volgens deze hernieuwde barokke principes werden gebouwd waren het Sweelinckorgel in de NCRV-studio (1953) en het orgel van de Nicolaikerk in Utrecht (1956), beide gebouwd door de Deense orgelbouwer Marcussen. Het Sweelinckorgel is door de NCRV in 2000 in bruikleen gegeven aan de Nicolaikerk in Utrecht, zodat deze beide baanbrekende orgels nu in één kerk staan. Pioniers in Nederland op het gebied van de nieuwe orgelbouw waren de orgelbouwers Van Vulpen, Flentrop en Leeflang. Voor Leeflang was het orgel van de Immanuelkerk in Delft het eerste grote orgel dat hij bouwde. Het was voor hem een visitekaartje waar hij extra zijn best voor heeft gedaan. Met de samenstelling van de klank (de ‘dispositie’ noemen organisten dat) werd nauw aangesloten bij het orgel in de Nicolaikerk in Utrecht.
|
|
|
Het eerste wat aan het front van het orgel opvalt zijn de horizontale trompetten, direct boven de speeltafel. Verder vallen links en rechts de twee grote pedaaltorens op met, met hun grote, 16 voet (ongeveer 5 meter) lange frontpijpen uitgevoerd in roodkoper. Het orgel bestaat uit een hoofdwerk, rugwerk en borstwerk. Het rugwerk bevindt zich achter de rug van de organist en straalt direct de kerkruimte in, het borstwerk staat direct boven de speeltafel. Het klinkt in de kerk indirect, en kan ter verhoging van het contrast met het rugwerk worden afgesloten met deurtjes. Het hoofdwerk vormt het hart van het orgelfront en staat direct boven het borstwerk. De horizontale trompetten maken onderdeel uit van het hoofdwerk, hoewel ze buiten de kast zijn geplaatst. |
 |
|
|
Omdat de mechaniek en de windvoorziening in de loop der jaren gebreken waren gaan vertonen is het orgel in 2002 grondig gerestaureerd door orgelbouwer Elberse in Soest. Daardoor klinkt het orgel weer voluit zoals het meer dan veertig jaar gelede bij de bouw bedoeld was.
In de dispositie vallen een paar zaken op:- in elk van de drie manualen is een Quintadeen aanwezig, een 16-voet op het hoofdwerk, een 8-voet op het rugwerk en een 4-voet op het borstwerk. De Quintadeen van het rugwerk is een bijzonder mooie solostem.
Ö in het hoofdwerk is in de 8-voetsgrondstemmen naast de Prestant en de Roerfluit een Salicionaal aanwezig. Dat is een register met een strijkende klank, die geschikt is voor romantische muziek. Zeker in de jaren zestig was de plaatsing van zo’n register een zeldzaamheid in Nederland, die in de vakbladen dan ook heftig bediscussieerd is. |
|
| Ö op het borstwerk is een Treseptnon aanwezig. Dit is een vulstem, die op elke toets drie hoge boventonen geeft, en wel de terts, de septiem en de none van de grondtoon. Voor zover ons bekend is dit register uniek in Nederland, mogelijk zelfs op de hele wereld, want zoekmachines op internet geven maar één treffer. Het klinkt als het twinkelend geluid van een metallofoon. |
|
|
Het orgel heeft twee tremulanten, die er voor zorgen dat de klank van een solostem een zwevend geluid kan krijgen. Als rechtgeaard neo-barok orgel was de windvoorziening zeer strak en gestabiliseerd, waardoor de tremulanten het vaak lieten afweten. Bij de restauratie van 2002 zijn ze weer geheel bedrijfszeker gemaakt.
Voor de samenzang is de kracht van de klank over het algemeen ruimschoots voldoende. De organist heeft veel mogelijkheden om met het orgel op halve sterkte te variëren in de kleur van de klank: donker of helder, met alle stemmen op dezelfde sterkte, of met één van de stemmen als uitkomende stem naar voren gehaald. Vooral de Sesquialter op het rugwerk en de Horizontale Trompet op het hoofdwerk lenen zich hier goed voor.
|
|
|
Op het internet zijn de volgende opnamen van het orgel te vinden, gespeeld door de huidige vaste organisten van de Immanuelparochie:
Frans Dijkstra – Improvisatie over psalm 68. | |
|